Face to Face... Reitse Postma: “Ik laat me niet uit het veld slaan”
Maar als je de liefde van je leven verliest, hoe pak je de draad dán weer op? We zijn in Haskerhorne op bezoek bij de 72-jarige weduwnaar Reitse Postma. Feikje is er al bijna twee jaar niet meer. Reitse heeft nu een hondje, Tineke. Reitse vertelt als in een dagboek, hoe hij de draad weer oppakt en hoe hij zijn leven betekenis geeft, terwijl Tineke bij hem op schoot springt. Het lijkt wel alsof ze voelt dat haar baasje haar steun nodig heeft.

“k zie het aan zijn gezicht. Dit is foute boel. Hij neemt ons mee naar zijn kamer. Voordat hij begint te praten, hoor ik de woorden in me galmen. Nee, nee en nog eens nee. Dit lot overkomt ons toch niet?” Dan zegt de arts: “Het is uitgezaaid. De wervel en het bekken bevatten uitzaaiingen. De organen moeten nog onderzocht worden, maar er is een grote kans dat die ook kankercellen bevatten. We doen geen uitspraken over welke termijn u nog heeft, maar we hebben wel mogelijkheden om uw leven te rekken.”
Dat was in 2017. Ruim een jaar later, net 65 jaar oud, is Feikje er niet meer. We zijn nu bijna twee jaar verder. Reitse Postma, inmiddels 72, pakt de draad op.
Vastklampen
“Naar beneden grijpen, een afgrond in, is misschien het enige wat daaraan symbolisch gezien klopt. Ik weet niet beter dan Feikje naast me te hebben. Ik was begin twintig toen ik haar leerde kennen. Sindsdien heeft zij míj en ik háár nooit meer losgelaten. Dus wat doe je als je hoort dat ze ongeneeslijk ziek is? Je grijpt elkaar nog steviger vast. We klampten ons vast aan de laatste strohalmen.”
Reitses ogen worden vochtig als hij verder vertelt: “Het orgaanonderzoek bevestigt het vermoeden van de arts. De longen en nieren hebben uitzaaiingen. Het dringt tot ons door dat het dweilen met de kraan open is. Hoewel het nieuws erin hakt, schieten we in een mum van tijd in een overlevingsreflex. Alle medische mogelijkheden om de komende tijd draaglijk te maken, grijpen we aan. We zijn het niet alleen aan elkaar verschuldigd, maar ook en misschien wel meer aan onze kinderen en kleinkinderen.
Feikje en ik gaan af en aan naar het ziekenhuis. De pijn in haar schouder, waardoor we erachter komen dat ze ongeneeslijk ziek is, straalt steeds verder door in haar arm. In de eerste maanden merken we dat haar arm steeds minder goed werkt. Ze gebruikt haar linkerhand om haar rechter te tillen. In de maanden die verstrijken, merken we dat haar arm en hand niet meer functioneren. Ze kan niet meer appen. Een enorm verlies, want als Feikje ergens van houdt, is het wel het in contact zijn met haar kinderen. Als de toon klinkt dat er een appje binnenkomt, wil ze onmiddellijk weten wie haar een bericht heeft gestuurd. Gelukkig kan ze nog spraakberichten sturen. Het duurt echter niet lang voordat ze de berichten niet meer kan lezen, omdat de kanker zich ook in de hersenen heeft genesteld.
Houden van wordt steeds sterker. Ik word me er bewuster van hoe mooi we ’t nog hebben. Dingen die ik voorheen heel normaal vond, vind ik nu veel waardevoller. Dat ze naast me zit, dat ik haar stem hoor, haar in de ogen kijk en dat ik weet: dít is mijn Feikje en daar is er maar één van.”
Een hondje geeft troost…
Reitse zet zijn bril van zijn hoofd. Terwijl de emotie zichtbaar en voelbaar is, straalt hij warmte uit wanneer hij over de ziekte van Feikje praat. Geen verbittering, geen woede, vooral veel verdriet. Hij kijkt omlaag naar zijn Tineke. Tranen rollen over zijn wangen. Het hondje kruipt tegen hem aan. Reitse aait haar.
“Wat heeft Feikje dat goed ingeschat. ‘Neem een hondje’, heeft ze me herhaaldelijk gezegd. Natuurlijk is Feikje ermee niet vervangbaar, maar haar gezelschap geeft me veel steun.”
“Zorgen doe ik gewoon”
Reitse gaat door: “Met het uitvallen van lichamelijke functies neemt de hulpbehoevendheid toe. Eén ding is voor mij zeker. Ze moet en zal thuisblijven tot haar laatste snik. Dat ben ik haar en mezelf verschuldigd. Feikje houdt van thuis zijn. Lekker samen voor de tv. Kijken naar de tuin en de vogeltjes. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om haar ergens op te laten nemen. En dat zorgen voor haar doe ik gewoon.
Feikje verandert. Ze wordt zich minder bewust. Toch blijft ze herkenbaar. Haar ontzettende overlevingskracht blijft. Zelfs al kan ze niet meer zelfstandig naar de wc, niet meer van bed opstaan, haar hand niet meer naar haar mond brengen om te eten. En je zou denken: wat is er dan nog over? Voor Feikje is er nog steeds genoeg om door te gaan. Een lekker ijsje of dropje, het horen van de kleinkinderen, de vogeltjes in de tuin, iedere dag is er altijd wel iets dat de moeite waard is. En zolang ik haar nog heb, is er ook voor mij meer dan genoeg om door te gaan.”
Verloren
Zo komt toch het moment dat het lichaam niet meer verder wil. Alsof ze erop wacht, blaast ze haar laatste adem uit als haar kinderen en Reitse om haar bed staan. Een geliefd persoon gaat verloren. “Je weet dat het moment eraan zit te komen en toch zit je nog in eenzelfde overlevingsmodus. De hectische tijd van de begrafenis volgt en er is nog geen tijd voor mezelf.”
In de stijl van Feikje wordt ze begraven. Ze krijgt een beklede kist met klaprozen, haar lievelingsbloem. Haar kleinkinderen worden bij de dienst betrokken. Tot slot daalt haar lichaam onder de grond op de begraafplaats in Joure, een plek die ze zelf heeft uitgekozen.
Zo begint ook haar afwezigheid. Niemand die thuis om Reitse roept. Geen zorgen meer, maar ook niemand om meer naar te kijken. Geen ogen met wie hij even contact kan maken. Geen gezelschap met wie hij tv kan kijken. Niemand die even zegt hoe lekker het toetje is. Geen Feikje meer. Reitse wordt meer op zichzelf aangewezen.
Het missen blijft
“Toch ervaar ik het niet helemaal zo. Ik mag mezelf gelukkig prijzen met een enorm sociaal vangnet. Vrienden en familie die me uitnodigen om te komen eten, me mee vragen op vakantie. Mijn kinderen en kleinkinderen die me opzoeken. Zeker wanneer ik nadenk over mijn kleinkinderen, dan zijn zij mijn redding. Hun eenvoud en blijdschap geven mij zoveel kracht. Even met ze knuffelen, ze een pepermuntje geven als we afscheid nemen, lekker kippenkluifjes voor ze maken en op peuzelen, dat soort dingen geven energie.”
Natuurlijk kent Reitse Postma momenten waarop hij het zwaar heeft. “Alleen zijn is mijn handicap. Ik hoef niet per se iemand te hebben waarmee ik klets, maar iemand om me heen met wie ik een bakje koffie drink of iemand die naast me zit, dat heb ik wel nodig om gelukkig te zijn. Soms zijn er dagen dat ik niemand zie en ik geen klusjes doe. Dan kom ik mezelf tegen. De stilte om me heen maakt me bewust van het gemis. En dat missen blijft, zelfs al ben ik bij vrienden. Normaal gesproken gingen we samen.”
Naast het advies om een hondje te nemen, adviseert Feikje hem ook een camper aan te schaffen. Hij voegt daad bij het woord. Zijn avontuurlijke kant wordt hierdoor gevoed. Een paar keer per jaar gaat hij met vrienden weg. Naar zonnige landen. Lange einden rijden die hem niet opbreken. “Nee, met de warmte van de zon, mijn hondje op schoot en met vrienden om me heen, ervaar ik opnieuw geluk. Feikje wordt er niet mee vervangen en dat zal never nooit niet lukken, maar mezelf uit het veld laten slaan, doe ik niet.”
Door Albert Bouwman Foto: Gewoan Dwaan/Douwe Bijlsma














