Handige Harry’s

Het is net alsof met het ontspruiten van de gewassen en bomen, zij óók tot bloei komen. U kent ze vast ook, de Handige Harry’s. Vaak mannen, die in een handomdraai van de tuin een lustoord maken en van een woonkamer een functionele showroom met de nodige gadgets. Wat hun ogen zien, maken hun handen. Dat heb ik ook, met als toevoegsel… kapot.

Mijn relatie met tuinieren is vergelijkbaar met mijn relatie met doe-het-zelven: we zien elkaar af en toe, het eindigt altijd rommelig, en er blijft meestal iets kapot of gedeukt achter. Vaak mijn ego. Met mijn twee linkerhanden (waarvan ik nog steeds vermoed dat ze eigenlijk allebei van een andere persoon zijn geleend) begin ik vol goede moed aan elk project.

Vorige week nog een poging tot het planten van een simpele struik gewaagd. ‘Hoe moeilijk kan het zijn?’, dacht ik nog, terwijl ik de schep vasthield alsof het een exotisch muziekinstrument was. Drie kwartier later had ik een kuil gegraven die meer weg had van een archeologische opgraving dan een plantgat. Ruim zat, ik had er een mammoet in kunnen begraven.

Doe-het-zelven in huis gaat niet veel beter. Zelfs zoiets simpels als een plank ophangen is een ware beproeving. Eén plank. Geen kast, geen ingewikkelde constructie, gewoon een plank. Tegen de tijd dat ik klaar ben, heb ik drie gaten in de muur, twee pleisters op mijn vingers en een plank die zo scheef hangt dat zelfs moderne kunst zich ervoor zou schamen. Ik noem het nu ‘functioneel abstract design’.

Mijn gereedschapskist is meer een verzameling hoopvolle intenties dan bruikbare spullen. Ik heb een hamer die meer op een decorstuk lijkt, een waterpas die altijd zegt dat alles scheef is en schroeven die spontaan verdwijnen zodra ik ze nodig heb. Ik vermoed een geheime vakbond van schroeven die protesteert tegen mijn gebruik.

En toch… blijf ik proberen. Want ergens, diep vanbinnen, zit een optimistische klusser die gelooft dat het deze keer wél lukt. Dat de plant recht groeit, de plank waterpas hangt en ik geen pleisters nodig heb.

Maar hé, mijn tuin heeft karakter, mijn muren hebben ventilatiegaten en ik heb geweldige verhalen. En uiteindelijk is dat ook een soort vakmanschap, met een vleugje humor als belangrijkste gereedschap.

Richard de Jonge, eindredacteur