Tractorfluisteraar Ybe Posthumus blaast ‘oude beestjes’ nieuw leven in: “Ik moet een stuur in handen hebben”
HASKERHORNE - We wanen ons in een showroom zo blinken de tractors ons tegemoet. Het is duidelijk dat Ybe Posthumus (69) een liefhebber is die met de precisie en geduld van een horlogemaker de vaak oude tractors zo onder handen heeft genomen dat ze er uit zien als waren ze net uit de fabriek gerold. Op twee na van het merk Bolinder-Munktell, later Volvo. Plaatjes stuk voor stuk.

De showroom trouwens, is een loods die – hoe gek het ook mag klinken – vroeger dienst deed als moskee in het Ambonezenkamp in Gaasterland. Nadat het kamp was opgeheven, werd de moskee verkocht, afgebroken en in Haskerhorne weer opgebouwd waar hij jarenlang dienst deed als werkloods van een loonbedrijf. “Ik kreeg in ‘98/’99 een hoekje voor het uitoefenen van mijn hobby”, zegt Ybe Posthumus. “Na mijn eerste Bolinder-Munktell kwam die groene”, wijst hij op de laatste tractor in de rij.
“De eigenaar van het loonbedrijf en van de loods vroeg me of ik hem aan de loop kon maken en hem wilde opknappen. Natuurlijk wilde ik dat want ik had tenslotte ook een stukje van zijn loods. Toen is het balletje gaan rollen. Van één komt twee en van twee komt drie, je weet wel hoe dat gaat met een hobbyist. Ik heb voor hem ook nog een paar petroleumtractors opgeknapt. Maar die zijn er niet meer. De erfgenamen hadden daar niet zo veel mee. Maar ik vind dat die groene bewaard moet blijven, want dat is de voorloper van de Bolinder-Munktell, de eerste dieselversie, uit 1952.”
![]()
Posthumus kocht zijn tractors in landen als Zweden, de bakermat van Bolinder-Munktell, maar ook in andere landen zoals Noorwegen en Denemarken. Foto Richard de Jonge
Niet meer weg te slaan
Ybe Posthumus woont in Joure ‘bij het kopje’ samen met partner Gerry. Zijn liefde voor tractors begon in zijn geboorteplaats Katlijk. “Als een boer een nieuwe tractor had, ging ik er op de fiets naartoe. En als hij na een paar dagen zei dat ik er ook wel op mocht rijden, was ik er niet meer weg te slaan. Ik wilde bij een loonbedrijf werken, maar mijn vader vond dat niet zo’n goed idee want volgens hem was je dan zomers nooit thuis en zat je winterdag zonder werk.” Via een motorzaak waar hij anderhalf jaar werkte, kwam hij toch bij een loonbedrijf terecht. Tot zijn diensttijd. Toen hij daarna terug wilde ging dat niet omdat het bedrijf failliet was. Met zijn in diensttijd gehaalde rijbewijs ging Posthumus aan de slag als vrachtwagenchauffeur. “En daar ben ik nooit meer vanaf gekomen. Ik moet een stuur in handen hebben.”
Noodlot
Zoon Tjarko wakkerde het sluimerende tractor-virus bij hem aan toen deze een tractor kocht. “Hij had als eerste een oude Nuffield uit 1964 en later een Bolinder-Munktell. Hij zei: ‘waarom koop je er ook niet eentje’.” Maar sleutelen ging natuurlijk niet in een rijtjeswoning en dus werd in eerste instantie een hoekje in de eerder genoemde loods betrokken. Daar sleutelden de twee tot het noodlot toesloeg. “Hij had een tumor waaraan hij als jongetje was geopereerd. Maar daar werd hij epilepsiepatiënt van. Dat is hem op latere leeftijd noodlottig geworden. Ik weet zeker dat hij wat hier staat prachtig had gevonden.”
Stilstand is achteruitgang
Posthumus kocht zijn tractors in landen als Zweden, de bakermat van Bolinder-Munktell, maar ook in andere landen zoals Noorwegen en Denemarken. Daar komt ook de laatste, een Volvo 814 vandaan. Negen staan er in de loods en dat is genoeg. “Een verzameling houdt eigenlijk nooit op. Maar het is klaar, de loods staat vol. Het is ook mooi geweest, ik kan wel tien of twintig tractors hier neerzetten, maar dan staat het veel te lang stil. Zo’n ding moet meerdere keren per jaar rijden, daar zijn ze voor gemaakt. Dat is net als met een mens. Als je de hele dag op de stoel zit, groei je dicht en roest je vast. Roesten doet ie niet zo gauw maar keringen worden hard en droog, alles begint te lekken. Stilstand is achteruitgang.”
![]()
Foto Richard de Jonge
Boel in beweging
“Samen met mijn vriend Jo de Boer gaan we soms een paar dagen rijden. Boven door Friesland, kop van Groningen het oude land door. Maar we doen ook wel de zuidwesthoek van Friesland, zo langs het IJsselmeer, Waddenzee, Groningen dan een stukje Drenthe in. Dan rijden we van bed & breakfast naar bed & breakfast. Jo sleutelt de rit in elkaar compleet met bezienswaardigheden, dat vogelt hij helemaal uit. We maken er een excursieritje van zo langs de IJssel helemaal naar beneden, 25 km/u, prachtig. Ik heb een oude vouwwagen, daar heb ik de tent uit gesloopt en daar zitten stoelen, een tafel, koelbox, regenkleding en een parasol in.” En hij gaat naar veel tractorevenementen in Friesland waar toertochten bij zijn. “Dan is mijn broer altijd mee, toertochten van zo’n zestig kilometer met zestig/zeventig tractors. Maar er zijn meerdere pensionado’s. Dan zeg ik: ‘je kunt wel een dagje mee er zijn tractors genoeg’. Dan heb ik opstappers”, gooit hij een grap over tafel. “Met de ballonfeesten rijden we met het hele zooitje naar Joure, dan is de hele boel in beweging. Als je dan achterom kijkt, een machtig gezicht.”
Beresterk
De Bolinder-Munktell 350 is het succesnummer van de serie. Niet goedkoop, maar beresterk. De Fendt is de tractor van nu, ook daar zit alles op en aan, maar die is ook twee keer zo duur als een andere. “Wat de Bolinder-Munktell 350 nog meer onderscheidt is de doordraaiende aftakas die rijdend inschakelbaar was en de enorme trekkracht, vooral onderin. Door een vijftig kilo zwaar vliegwiel had een Bolinder-Munktell kracht zolang de motor liep. Je hoefde niet een dot gas te geven. Het waren vooral goede trekkers.”
![]()
De Bolinder-Munktell 350 is het succesnummer van de serie. Niet goedkoop, maar beresterk. Foto Richard de Jonge
‘Het is net een mortuarium’
Hij is bijna alle dagen in zijn loods in Haskerhorne te vinden. Sturen is één, minstens zoveel plezier beleeft hij aan het sleutelen. “Ik heb hier alles op een draaibank na. Een brandstofpomp reviseren kan ik niet, dat is specialistisch werk, maar verder.” In totaal heeft hij er vijftien opgeknapt, ook voor anderen. De eerste was de groene bijna 25 jaar geleden, de laatste zijn paradepaardje de Volvo 814. “Je ziet geen verschil tussen de eerste en de laatste. Ze hebben bijna geen slijtageplekken, nou ja, op de pedalen na. Ze staan ook altijd onder een kleed.” “Het is net een mortuarium”, lacht partner Gerrie.
“Ik heb alle handeltjes, pookjes en andere prularia door de vingers gehad”, gaat hij verder. “Die zijn allemaal kaal gehaald en opnieuw gespoten. Je hebt ze die spuiten zo’n motorblok groen, maar ook alles waar daar bij zit. Ik ben een zeikerd, op een brandstofpomp hoort geen verf, die is van aluminium, die maak je schoon en polijst je. Kabels en leidingen moet je niet verven, die moet je kunnen zien. Het geluid van zo’n Bolinder is heel typerend. Wil je het horen”, vraagt hij zonder het antwoord af te wachten. Starten en lopen en al snel horen we de hoge fluittoon, vooral als Posthumus lachend een beetje gas geeft. “Is het niet prachtig, daar krijg je toch kippenvel van”, glimt hij. In gedachten zien we hem gaan als opperhoofd de optocht van rode Bolinders aanvoerend.