Gerard Mous, herstellende van heftige hersenbloeding: “De kop ervoor”
BALK - Op 20 maart dit jaar was het een jaar geleden dat Balkster kapper Gerard Mous getroffen werd door een ernstige hersenbloeding. Sindsdien is er heel veel gebeurd. Gerard en partner Anton zouden er een boek over kunnen schrijven. Wie weet vinden ze iemand die daarbij kan helpen. Materiaal genoeg, want Anton heeft alles vastgelegd.

Gerard Mous (55 jaar) is een echte Balkster. Na de lagere school kiest hij voor de landbouwschool: hij wil ‘iets’ met bloemen. Uiteindelijk wordt ‘m het dat niet; hij wordt kapper. In 2007 begint hij zijn eigen salon in Balk. “Het was mijn lust en mijn leven en dat is het nog. Mijn gevoel en hele hart ligt daar. In de loop der jaren heb ik een vaste klantenkring opgebouwd. Mensen vertrouwden mij hun ziel en zaligheid toe. Dat vertrouwen heb ik nooit beschaamd”, start Gerard zijn verhaal.
Drie ‘túten’ en ‘wees voorzichtig’
We gaan terug naar maandag 20 maart 2023; de dag dat alles anders werd. Gerard ging even naar de kapsalon vanwege de bestellingen. Anton: “Bijna elke maandag ging Gerard naar de groothandel om nieuw spul te halen. Om half twaalf kwam hij thuis en dronk hij twee glazen water, voordat hij naar Leeuwarden vertrok. We gaven elkaar drie ‘túten’ en ik zei ‘wees voorzichtig’.” Gerard: “Ga nooit weg zonder elkaar een ‘tút’ te geven. Ik was ergens in de buurt van Sondel, toen de verklikker van de middenberm begon te piepen. Ik heb op het punt gestaan om te draaien, maar vond geen plekje om dat te doen. Ik ben doorgereden. Bij de verkeerslichten bij Lemmer ging het nog goed en toen ik de weg opdraaide ook nog. Toen weer gesodemieter met die piep. Ik ben een parkeerplaats voor vrachtwagenchauffeurs opgedraaid, maar het lukte me niet met mijn been uit de auto uit te komen. Ik had nog niets in de gaten, probeerde het nog een keer. Toen klapte ik uit de auto op de parkeerplaats.”
![]()
Ik heb het mooie licht gezien
“Ik heb zeker vijftien minuten half in de gordel naast de auto gelegen, voordat een vrachtwagenchauffeur me vond en vroeg of ie kon helpen. ‘Het zal wel gaan’, zei ik. De chauffeur zag dat er meer aan de hand was. Hij heeft 112 gebeld. Toen kwam er een politieauto met gillende sirenes aanvliegen. ‘Die is hier voor mij’, dacht ik nog. Toevallig was een van de politiemannen een maat van een neef van mij. Hij zei: ‘Die man ken ik wel, dat is Gerard’. Hij heeft mijn schoonzus en broer gebeld. Die belden vervolgens met Anton.” Anton herinnert het zich als de dag van gisteren: “Mijn schoonzus belde: ‘bisto thús? Dan kom ik even’. Toen dacht ik al: er klopt iets niet. Ze kwamen binnen en zeiden: er is iets met Gerard aan de hand. Hij is onderweg naar het ziekenhuis. We zijn met zijn drieën naar het ziekenhuis in Heerenveen gereden.”
Gerard weet nog goed hoe hij in de ambulance vervoerd werd. “Tot bij Joure, toen ik een paar spuiten in de arm kreeg. Daarna herinner ik me niets meer.” Even stokt hij om vervolgens met tranen in de ogen verder te vertellen. “Toen ben ik even weggeweest en heb ik het mooie licht gezien. Het enige dat ik wilde was daar naar toe gaan, maar ik kwam weer terug in mijn lichaam.” Anton laat een scan zien van de hersenbloeding van Gerard. Daarop is een witte plek te zien zo groot als een kippenei. “Het is een wonder dat ik er nog ben, dat heeft de arts bij binnenkomst in Heerenveen letterlijk gezegd”, licht Gerard toe.
Revalideren in Beetsterzwaag
Gerard gaat revalideren in Beetsterzwaag. “De eerste paar dagen mocht ik bekomen op bed. Daarna komen ze met zijn tweeën bij je: je moet naast je bed gaan staan. Hoe dan, dacht ik bij mezelf. ‘Probeer het maar’, was het antwoord. Ze hebben me ook wel op de grond gelegd en gezegd: ‘kom maar overeind’. Ja, je wordt daar echt aangepakt en dat heb je op dat moment ook nodig.“ “Gerard moest echt keihard werken”, beaamt Anton. “Elke dag van ‘s ochtends 9 tot ‘s avonds na het eten was hij bezig. Ik was er alle dagen; ik heb overal filmpjes van gemaakt. Van alle loopjes, alle oefeningen. Dan kunnen we het later misschien nog eens terugzien. We hebben letterlijk en figuurlijk alles samen gedaan.”
Af en toe weekend naar huis
Tussentijds mag Gerard af en toe een weekend naar huis. “Het eerste weekend dat ik naar huis mocht, was het prachtig mooi weer. Anton vroeg: ‘wat wil je?’ ‘Ik wil Balk in’, zei ik.” Aangedaan: “En dat was mooi. Mensen kwamen naar me toe, ben je weer thuis? En: het zonnetje is thuisgekomen.”
Hij kijkt positief terug op zijn verblijf in Beetsterzwaag. “Ondanks alles heb ik daar een mooie tijd gehad, die ik niet had willen missen.” Hij herinnert zich de grappen met zwarte humor aan tafel. De mensen daar die hem in vertrouwen namen. Een mede-revalidant met wie hij elke zaterdagavond naar een uitzending van ‘Make up your mind’ keek. Alle therapeuten van wie hij zoveel liefde ontving. “Die heb ik bijna aan het huilen gekregen, toen ik weg ging en iedereen een speciale kaart gaf met een mooie spreuk erop.”
![]()
Het leven weer op de rit krijgen
Na drie maanden mag Gerard weer naar huis “En dan is er helemaal niets”, verzucht Anton. Alleen een hoog/laagbed. Een rolstoel moest nog op het laatste moment geregeld worden. Een enorme papierwinkel was nodig, voordat ze een slaapkamer op de begane grond konden realiseren. Het eerste jaar dat buurtzorg langskwam om Gerard te helpen, gebeurde het wassen met water uit een beslagkom. Therapeuten hadden het drukker met verantwoording van de zorg, dan het verlenen ervan. “Mijn leven weer op de rit krijgen, was daardoor een groot gevecht. Het heeft mij een stuk van mijn revalidatietraject gekost”, vindt Gerard. “Iedereen moet er zijn sausje over doen en dat kost alleen maar geld. Lijntjes moeten korter, gemeenten en organisaties moeten meer samenwerken. Er zou één loket moeten zijn, waar revalidanten terecht kunnen voor informatie.”
Het is nog niet klaar
“We hebben een verdomd zwaar jaar gehad”, kijkt Anton terug. “Het gevecht is achter de rug. Ik vecht nu voor mezelf”, vult Gerard aan. “Ik wil sterker worden.” Ik wil, ik zal en ik moet, zijn zinnen die hij als een mantra herhaalt. “In Beetsterzwaag zeiden ze: ‘je zult je arm nooit meer kunnen bewegen’. Toen ben ik woest de zaal uitgelopen. Als ze zeggen dat het me niet lukt, zal ik het ze laten zien. Al duurt het tot Sint Juttemis. Mijn innerlijke kracht heeft me er doorheen gesleept. Die heb ik van heit en mem. Nooit de kop laten hangen; de kop ervoor!”
Inmiddels loopt Gerard weer rond in Balk. “De eerste keer ben ik naar het huis van een goede klant/vriendin gelopen. De dag erna ben ik zes tuintjes verder gekomen. Een week later liep ik een nog groter blok richting sporthal, al moest ik op de tanden bijten. Een mevrouw in de tuin riep: applaus voor meneer Mous.” Zulke opmerkingen doen Gerard goed, maar halen hem uit zijn concentratie. “Bij revalidanten is het net als bij kinderen die nog moeten leren lopen. Wij moeten overal over nadenken. Als een auto toetert, schrik ik, als mensen tegen me praten raak ik uit mijn concentratie. Laatst wilden we naar heit en mem lopen, een wandeling van ongeveer een kilometer. Dat heb ik op dertig meter na gehaald, omdat er fietsen langskwamen. Ik verkrampte, riep: vlug, de rolstoel. Anders was ik gevallen.”
Binnenkort maand wordt Gerard’s wereld weer een beetje groter. Dan krijgt hij een aangepaste fiets.
![]()
Kaarten en cadeautjes
De steun die ze die tijd ontvingen van mensen uit de omgeving, is iets waar beide mannen nog steeds vol van kunnen schieten. “Gerard kreeg alle dagen post”, vertelt Anton terwijl hij een enorm ton over Gerard leegschudt. Meer dan duizend kaarten, met teksten zoals: Wat is Balk zonder Gerard? Cadeautjes als een beertje, een klavertje vier, een zelfgemaakt schilderij. “Dank aan vrienden, familie, collega’s, medewerkers van de kapsalon, doktoren, verpleegkundigen, medewerkers van de buurtzorg. Aan alle mensen die aan mij gedacht hebben en dat nog steeds doen. Dat doet een mens heel goed.”
Tekst Riemie van Dijk / Foto’s Johan Brouwer

