Eeuweling Pierre Zeevaarder uit Haskerhorne: terugblik op een mooie, maar veelbewogen eeuw

Foto Johan Brouwer

HASKERHORNE - Op 11 maart 2021 was het exact honderd jaar geleden dat Pierre Zeevaarder in de Anna Kliniek in Amsterdam luidkeels van zich liet horen. Zoon van Catharina van den Bijtel en Rochus Zeevaarder, die na hem nog twee kinderen op de wereld zetten: Herman (1924) en Johan (1929). Zijn beide broers hebben inmiddels het tijdelijke voor de eeuwigheid verwisseld, maar Pierre geniet vanuit zijn woonplaats Haskerhorne nog elke dag van het leven. Hij woont zelfstandig, rijdt auto, bridget, leest veel, luistert naar klassieke muziek, is nog zo scherp als een mes en heeft een geheugen als een olifant. Hij heeft in en na de Tweede Wereldoorlog traumatische gebeurtenissen meegemaakt en heeft daarna in zijn werkzame leven bij de KLM veel van de wereld gezien. Een portret van een bijzonder mens, die terugblikt op een mooie, maar veelbewogen eeuw.

De eerste negen jaar van zijn leven bracht Pierre Zeevaarder door in Amsterdam; daarna werd zijn vader, ambtenaar bij de directe belastingen, overgeplaatst naar Den Haag, waar Pierre een relatief onbezorgde jeugd beleefde in het Bezuidenhoutkwartier. Toen hij in de vijfde klas van het Stedelijk Gymnasium zat, brak de Tweede Wereldoorlog uit en kwam daar verandering in.

Verraden verzetsstrijder
“Het schoolleven ging gewoon door,” herinnert Zeevaarder zich, “maar de Joodse leraren werden stuk voor stuk gedeporteerd naar werkkampen. Een jaar na het uitbreken van de oorlog ging ik in het verzet, maar werd mijn naam genoemd door een ondergedoken Joodse vrouw die in handen van de ‘Grüne Polizei’ viel en tijdens een bruut verhoor alles vertelde wat zij wist. De twee Gestapo agenten die mijn kamer kwamen onderzoeken vonden er vijf stamkaarten van ondergedoken Joden die recht gaven op distributiebonnen. Dankzij een leugen dat ik die bonnen verkocht om er zelf aan te verdienen eindigde ik niet voor het vuurpeloton, maar op een trein naar Oost-Europa, naar een werkkamp.”

 De werkkampen
“Via een doorgangskamp in Berlijn ging het via Warschau en Riga naar het gehucht Bele Belka aan de rivier de Obsha, vlak bij de Russische grens. Vies, stinkend, loodzwaar werk, het barstte er van de muggen en veel dwangarbeiders kwamen daar dan ook aan hun einde. Na een paar maanden kwamen we in een noordelijker gelegen kamp terecht. Het was inmiddels winter 1943. We moesten in een woud bomen vellen en in kleinere stukken hakken. Als je ’s nachts naar de latrine moest, buiten de barak, moest je verrekte goed op je hoede zijn voor de wolven die daar in roedels rondzwierven. ’s Nachts werden we vaak wakker van hun gehuil. 

In 1944 werden we naar Riga getransporteerd, waar ik dankzij mijn acteertalent – ik had verteld dat ik journalist was – een kantoorbaantje wist te bemachtigen. Het alternatief was mijnen en lijken ruimen aan het front.”

Oprukkende Russen
“Tussen kerst en oud en nieuw kwamen de Russen zo dichtbij dat de Duitsers zich ‘strategisch terugtrokken’ uit Riga. Ik was in mijn hand geschoten, maar wist mij dankzij het groene uniform dat ik in Riga had weten te bemachtigen voor te doen als Duits ambtenaar. Een Tsjechische arts heeft mijn hand vakkundig verbonden, waarna ik een marsorder richting havenstad Liepaja kreeg. Daar wilde ik mij op een boot verstoppen om richting Nederland te vluchten. Dat plan mislukte door een stom toeval. Ik liep mijn voormalige Duitse baas tegen het lijf, die van het schip af kwam lopen waarop ik mij wilde verstoppen. Dat betekende terug naar de werkkampen, wegen aanleggen voor de verplaatsing van de Duitse troepen.”

Vrede, maar niet bevrijd
“In mei 1945 kwamen de Russen het Duitse werkkamp binnenmarcheren; de Duitsers waren gevlucht. De Rus, grote snor en bliksemende ogen, die wij ervan probeerden te overtuigen dat wij krijgsgevangenen van de Duitsers waren geweest en dus hun bondgenoten, wilde daar niets van weten. Groot was de deceptie; wij werden Russische krijgsgevangenen; de vrijheid was voor ons ver weg. Wegen aanleggen, tomaten plukken, ongebluste kalk in zakken doen, sjouwen van balken in een kamp in de Oekraïne, op transport naar Roemenië, waar ik uiteindelijk in februari 1946 wist te ontsnappen.”

Miljonair
“Via allerlei klusjes wist ik wat geld te verdienen; ik had 15.000 Lei en heb dat in Hongarije, waar ik als ‘zwartrijder’ met de trein naartoe was gevlucht, gewisseld voor zeven miljoen Pengö. Ik was in één klap miljonair, maar mijn kapitaal was niet eens genoeg om een kilo appels van te kopen, laat staan een treinkaartje naar het westen. Het was inmiddels maart 1946. Met een grote boog wist ik, doodmoe en helemaal kapot, de Amerikaanse zone te bereiken. Ik mocht mijn verhaal doen, werd geloofd en kreeg in de regimentsbar voor het eerst een glas Coca-Cola. Een prachtige vrouw stond in die bar te zingen; dat bleek Marlène Dietrich te zijn. Ik was op weg naar huis en hoefde voor het eerst sinds jaren niet zwart te reizen.

Den Haag bleek behoorlijk te hebben geleden onder de geallieerde bombardementen, maar mijn ouderlijk huis in de Pahudstraat stond er nog. Het weerzien met mijn ouders was een onvergetelijk moment. We zaten daar, keken elkaar aan en genoten van elkaars gezelschap. Er werd niet veel gezegd. Dat hoefde ook niet; de stilte was weldadig.”  

Werken bij de ‘Nationale trots’
“Ik kon terecht bij de KLM, waar ik na een gedegen opleiding in Doorn op de afdeling ‘Amsterdam-Batavialijn’ terecht kwam op de Benoordenhoutseweg in Den Haag. Na een half jaar kwam ik ‘aan de balie’ bij de afdeling ‘intercontinentaal. In 1951 werd ik gestationeerd in Jakarta als assistent-chef passagekantoor. Een nieuwe wereld; nasi goreng als ontbijt in plaats van brood, werkende vrouwen en druk, maar erg leuk werk waarbij ik veel mensen ontmoette en vriendschappen sloot.”

Vriendschap voor het leven
“Eén van die vriendschappen was een hele bijzondere. Die met Henriëtte  - ‘Jettie’ – Verschoor, de dame die op de Pakistaanse ambassade de visa regelde en die ik al eens had ontmoet. Door een ongelooflijk toeval ontmoette ik haar weer, Amor schoot met scherp en om een lang verhaal kort te maken: we trouwden op 25 november 1953. Vlak voor mijn tweede uitzending naar Indonesië, want mijn oude baas wilde mij daar graag terug.

In 1954 werd onze eerste zoon, Michiel geboren. Om onverklaarbare reden kreeg ik geen visum voor Indonesië, zodat Singapore in 1955 mijn volgende standplaats werd. Een bruisende stad waar we als familie zes jaar zijn gebleven en onze dochter Hester en zoon Remco werden geboren.”

Banen op de tocht
“In 1961 ging het slecht met de KLM, er stonden wereldwijd 4000 banen op de tocht, volgens de kranten. Ik maakte me best zorgen. Er bleken drie lijsten te bestaan: de eerste, met mensen die konden blijven; de tweede, met mensen die moesten vertrekken; en de derde, met ‘onduidelijke’ gevallen. Ik bleek op die laatste lijst te staan en besloot, omdat ik toch nog vijf maanden verlof had, om mijn lot in eigen hand te nemen en te kijken of er wellicht in Australië een toekomst voor ons lag. Dat bleek teleurstellend. Gelukkig kreeg ik op de terugreis bericht dat er een interim-functie op mij wachtte in Rangoon. Blijkbaar had ik een transfer gemaakt van de derde naar de eerste lijst, de ‘blijvers’. Na Rangoon werd ik districtschef in Kuala Lumpur waar ik drie van de heerlijkste jaren van mijn leven heb gehad. Waar ook onze dochter Wijnanda ter wereld kwam. Een grote en bloeiende expat-gemeenschap, clubs, tennissen, kegelen, bridgen en natuurlijk werd er ook nog gewerkt. Er volgde een overplaatsing naar Singapore en daarna werd ik districtschef in Nairobi.

In 1973 werd ik ‘uitgeleend aan de Arabieren’ in Bahrein, waarbij ik Jettie en de kinderen moest achterlaten in Haskerhorne waar wij in 1971 een huis hadden gekocht. Gelukkig zagen we elkaar een keer of vijf per jaar tijdens vakanties. In 1978, een paar jaar voor mijn pensioen, werd Bagdad mijn nieuwe standplaats. Toen Saddam Hussain in 1979 het roer overnam werd het een politiestaat en moest je enorm op je woorden passen. In 1980 ging ik terug naar Nederland. Ik was dus mooi op tijd weg. Het begin van een nieuwe fase van mijn leven, pensioen. Maar ik zag mezelf nog niet echt achter de geraniums zitten.”

Leraar Engels in Buitenpost
“Ik haalde mijn MO Engels en werd leraar aan het Lauwerscollege in Buitenpost. Een prachtige periode van vier jaar. In 1986 ging ik voor de tweede keer met pensioen. Ik had mijn papieren als tolk-vertaler gehaald en ik heb in Haskerhorne een vertaalbureau opgericht. In die periode deed ik vrij veel voor rechtbanken, advocatenkantoren en ook voor de Immigratie- en Naturalisatie Dienst tijdens verhoren van asielzoekers. Daar hoorde ik de meest ongelooflijke en onwaarschijnlijke verhalen, waar ik het mijne van dacht.

Jettie moest in 1991 een openhartoperatie ondergaan en kreeg een bypass. In 2011 kreeg ik zelf een hartaanval; ik hoefde geen operatie te ondergaan, maar werd op medicijnen gezet. Aan Jettie’s leven kwam een einde op 29 juni 2013, na bijna zestig jaar huwelijk. Haar aderen waren ernstig verkalkt en haar lichaam trok het niet meer. Ik denk met heel veel liefde terug aan de zestig mooie jaren die we mochten hebben en mis haar nog elke dag.”

Vervelen?
“Geen dag! Doe wat vrijwilligerswerk, heb twee keer per maand een bijeenkomst met de Probus club in Joure, bridge, lees, luister muziek en heb in 2013 nog een cruise gemaakt naar Rügen, Riga, Tallinn en de Scandinavische kust en ben in 2015 nog op vakantie geweest in Polen.

Voor mij is er niet zo veel toekomst meer over, dus ik leef ik bij de dag. Nadenken over de dood doe ik niet, dat heeft geen zin. Niemand weet wanneer en hoe dat gebeurt. Na mijn dood gaat mijn lichaam naar de wetenschap. Maar tot die tijd, gewoon adem blijven halen en genieten van de dingen waar ik veel plezier in heb.”


Tekst: Wim Walda
Foto’s: Johan Brouwer